Skip to main content

  | मौसम…

411 समाचार
Public archive edition · Attributed source reporting with original dates · AI drafts are excluded

411 REFERENCE · Wikibooks

Dutch/Lesson 7A

Reference material by Wikibooks contributors. This retains its source identity and is not 411 news reporting.

les 7 A Zwak en sterk ~ Weak and strong Past tense Perfect tense The whole salesman story Quiz { Put into the diminutive |type="{}" } bloem { bloempje|bloemetje _10 } pad (path) { paadje _7 } vis { visje _6 } ijs { ijsje _7 } { Put into the plural |type="{}" } stoplicht { stoplichten _12 } pad (path) { paden _7 } spiegel { spiegels _8 } varken { varkens _8 } vriend { vrienden _9 } { Give the past tense singular |type="{}" } schrijven { schreef _9 } passen { paste _7 } halen { haalde _7 } trekken { trok _6 } verliezen { verloor _8 } { Select the correct translation |type="[]" } |suiker|slagen|beginnen|wijn|spiegel + mirror +---- sugar -+--- to succeed, to pass ---+- wine --+-- to begin Recapitulation In Lesson 6A we practiced the weak verbs and the first three strong classes. Here is the rest. Past tenses Class 4 and 5 strong verbs brekenbrakbrakennemennamnamenstelenstalstalenstekenstakstakenbevelenbevalbevalensprekenspraksprakenkomenkomkwamkwamen The difference between classes 4 and 5 is in their perfect participle. The past tense is the same. The two classes are small, but together they are not. Moreover they contain some of the most common and frequent verbs The present and infinitive usually have open e [e], some have covered i [ɪ] The past has covered a [ɑ] in the singular, this changes to open a [a] in the plural Class 4 breken - ik brak - wij braken -- to break nemen - ik nam - wij namen -- to take stelen - ik stal - wij stalen -- to steal steken - ik stak - wij staken -- to stick bevelen - ik beval - wij bevalen -- to command spreken - ik sprak - wij spraken -- we spoke komen - ik kwam - wij kwamen - to come Komen is a rather irregular member of this class. It even shows vowel change in its present tense: komen - ik kom [ɔ] - wij komen [o] (not 'kommen' as e.g. in German) Class 5 etenatatentredentradtradengevengafgavenlezenlaslazenbiddenbadbadenliggenlaglagenzittenzatzatenwezenwaswarenzienzagzagen eten - ik at - wij aten -- to eat treden - ik trad - wij traden -- to tread geven - ik gaf - wij gaven -- to give lezen - ik las - wij lazen -- to read bidden - ik bad - wij baden -- to pray liggen - ik lag - wij lagen -- to lie (in bed e.g.) zitten - ik zat - wij zaten -- to sit wezen /zijn - ik was - wij waren -- to be zien - ik zag - wij zagen -- to see Zien is a somewhat irregular member of class 5. It originally had a -h- (as it still does in German: sehen - sah) In the infinitive and present the -h- dropped out zi(h)en --> zien. In the past the h hardened to -g-. The salesman Past tenses weak and strong I & II & III & IV and V Put all the past tenses into the present tense. Hij zat nu al een uurtje in het vliegtuig en zag dat het eten er aankwam. Hij las in het blaadje van de vliegmaatschappij dat er keuze was tussen kip en pasta. Hij stak het blaadje weer in het vakje voor hem en toen de stewardess aantrad bij zijn stoel, vertelde hij haar dat hij voor pasta koos. Hij nam er een glas witte wijn bij. Hij brak het broodje dat bij de maaltijd kwam in tweeën en smeerde er wat boter op. Hij at zijn pasta op en begon aan zijn toetje. Er lag ook nog een stukje chocola bij. Hij zit nu al een uurtje in het vliegtuig en ziet dat het eten er aankomt. Hij leest in het blaadje van de vliegmaatschappij dat er keuze is tussen kip en pasta. Hij steekt het blaadje weer in het vakje voor hem en als de stewardess aantreedt bij zijn stoel, vertelt hij haar dat hij voor pasta kiest. Hij neemt er een glas witte wijn bij. Hij breekt het broodje dat bij de maaltijd komt in tweeën en smeert er wat boter op. Hij eet zijn pasta op en begint aan zijn toetje. Er ligt ook nog een stukje chocola bij. Translation: He had been sitting in the plane for a good hour now and saw that the food was coming. He read in the magazine of the air line company that there was choice between chicken and pasta. He stuck the magazine back into the pocket before him and as the stewardess approached his chair he told her that he chose pasta. He took a glass of white wine to go with it. He broke the roll that cam with the meal in half and smeared some butter on it. He ate his pasta and began to eat his desert. There was even a piece of chocolat lying on the tray. Class 6 strong verbs This is the smallest class and it has lost a number of its members to the mixed class that sports a weak past tense. An example is lachen that now has lachte as weak past. (It used to be loech) The infinitive and present tense has open a ([a]) The past tense has oe ([u]) graven - ik groef - wij groeven - to dig dragen - ik droeg - wij droegen - to carry, to bear, to wear waaien - het woei - (no plural) - to blow (as in wind) vragen - ik vroeg - wij vroegen - to ask varen - ik voer - wij voeren - to sail, transport by boat Two members have some irregularities slaan - ik sloeg - wij sloegen (lost -h- similar to zien) staan - ik stond - wij stonden (English retains the [u] sound: stood) Class 7 and 3b strong verbs This is a pretty large class and it has influenced some of the class 3 verbs in such a way that they have the same past tense The past tense has ie or ing The present tense can have a variety of vowels. a [a] - ie blazen - ik blies - wij bliezen - to blow slapen - ik sliep - wij sliepen - to sleep verlaten - ik verliet - wij verlaten - to leave a [ɑ] - ie vallen - ik viel - wij vielen - to fall ang - ing hangen - ik hing - wij hingen - to hang vangen - ik ving - wij vingen - to catch gaan - ik ging - wij gingen - to go (with irregular present) oe - ie roepen - ik riep - wij riepen - to call o - ie lopen - ik liep - wij liepen - to walk houden - ik hield - wij hielden - to keep, to hold (old has changed to oud in Dutch) houwen - ik hieuw - wij hieuwen - to hew Some members of class 3 also follow this pattern, particularly the ones with -er- er - ier werpen - ik wierp - wij wierpen - to cast, to throw sterven - hij stierf - zij stierven - to die Exercises Quizlet You can practice memorizing these past tenses at Quizlet (40 terms) You can also practice memorizing the meaning of the verbs at Quizlet (40 terms) The salesman Past tenses weak and strong Put all the past tenses into the present tense. Het vliegtuig landde een kleine 10 minuten te laat. Hij pakte zijn spulletjes uit het opbergvak boven zijn hoofd en liep de cabine uit. Hij hield zijn paspoort in zijn hand en ging zonder problemen door de douane. Hij wachtte op zijn bagage en nam zijn koffertje van de lopende band. Hij wierp zijn instapkaart in de prullenbak, maar hij miste en deze viel ernaast. Hij bukte zich, raapte de kaart op en deponeerde deze in de afvalbak. Hij vroeg zich af waar hij geparkeerd stond. Het stukje papier met het nummer zat gelukkig nog in zijn zak. Hij droeg zijn bagage naar zijn geparkeerde auto en zette de koffer in de achterbak. Hij vertrok op weg naar huis. Toen hij bij de grote rivier aankwam, zag hij de pont juist aankomen. Hij reed zijn auto erop en de boot voer naar de overkant. Hij verliet zijn auto en dronk een kopje koffie op de boot. De wind woei te sterk om op het dek te zitten. Het vliegtuig landt een kleine 10 minuten te laat. Hij pakt zijn spulletjes uit het opbergvak boven zijn hoofd en loopt de cabine uit. Hij houdt zijn paspoort in zijn hand en gaat zonder problemen door de douane. Hij wacht op zijn bagage en neemt zijn koffertje van de lopende band. Hij werpt zijn instapkaart in de prullenbak maar hij mist en deze valt ernaast. Hij bukt zich, raapt de kaart op en deponeert deze in de afvalbak. Hij vraagt zich af waar hij geparkeerd staat. Het stukje papier met het nummer zit gelukkig nog in zijn zak. Hij draagt zijn bagage naar zijn geparkeerde auto en zet de koffer in de achterbak. Hij vertrekt op weg naar huis. Als hij bij de grote rivier aankomt, ziet hij de pont juist aankomen. Hij rijdt zijn auto erop en de boot vaart naar de overkant. Hij verlaat zijn auto en drinkt een kopje koffie op de boot. De wind waait te sterk om op het dek te zitten. Translation: The airplane landed about 10 minutes late. He grabbed his stuff from the overhead compartment and walked out of the cabin. He held his passport in his hand and went through customs without trouble. He waited for his luggage and took his suitcase from the conveyor belt. He threw his boarding card into the trashcan but he missed and it fell outside. He bent over, picked the card up from the floor en deposited it in the can. He wondered where he had left his car. Luckily the piece of paper with the number was still in his pocket. He carried his luggage to the parked car and put the suitcase in the back. He left and was on his way home. When he arrived at the big river he saw the ferry just arriving. He drove his car on board and it sailed for the other bank. He left his car and drank a cup of coffee on board. The wind blew too strongly to sit on deck. Perfect tense Formation Unless the verb is inseparable, the participle takes ge- as a prefix and it always has -en as a suffix. For class 6 and 7 the vowel remains the same as in the infinitive: lopen - gelopen, varen - gevaren For class 5 the vowel in the participle is e, often the same as the infinitive: geven - gegeven; liggen - gelegen For class 3b and 4 the vowel changes to o: sterven - gestorven; breken - gebroken For all other details see Dutch/Lesson 6A. Exercises Quizlet You can practice the perfect participles at Quizlet Only strong verbs 3b-7 Turn the present tense into a present perfect one Hij loopt naar buiten Hij graaft een greppel Waarom breekt hij die stok? Zij sterft langzaam Soms lees jij de krant. Hij blaast op een doedelzak De generaal beveelt om aan te vallen Meestal verlaten de passagiers de auto tijdens de bootvaart Er hangt een portret aan de muur Deze dief steelt vaak schilderijen Vaak spreekt hij Nederlands. Hij komt uit Engeland Hij is naar buiten gelopen <- directional motion Hij heeft een greppel gegraven Waarom heeft hij die stok gebroken? Zij is langzaam gestorven <- process Soms heb jij de krant gelezen. Hij heeft op een doedelzak geblazen De generaal heeft bevolen om aan te vallen <- "om aan te vallen" is an abridged new sentence Meestal hebben de passagiers de auto tijdens de bootvaart verlaten. <- verb of action, not motion Er heeft een portret aan de muur gehangen Deze dief heeft vaak schilderijen gestolen Vaak heeft hij Nederlands gesproken. Hij is uit Engeland gekomen. <- motion; komen always has zijn, so does gaan Turn the perfect into the past tense Wat heeft hij geroepen? Heb jij daarvan gehouden? Hij heeft de eerste steen geworpen. Heb je lekker geslapen? Zij hebben hem dat altijd onthouden. Waarom is dat prachtige gebouw zo vervallen? In zijn leven heeft hij vele wateren bevaren. Heb je dat gezien? Een bij heeft hem gestoken Zij hebben hem de sleutels ontnomen the bee Zij ontnamen hem de sleutels. <- ontnemen: take away All verbs Put the perfect into the past tense and the present tense Zij hebben hem niet overreed. Waarom heeft hij die menukaart niet gegrepen? Waarom heeft hij zo veel bier gedronken? Daarom heeft hij die auto niet gekocht. Hebben jullie dat ook geroken? Hebben jullie dat ook gebroken? Zijn ze eindelijk vertrokken? Waarom is hij naar Waco gereden? Zij zijn naar de rivier gewandeld. Zij zijn in het water gevallen Zij overreedden hem niet. Zij overreden hem niet. Waarom greep heeft hij die menukaart niet? Waarom grijpt heeft hij die menukaart niet? Waarom dronk heeft hij zo veel bier? Waarom drinkt heeft hij zo veel bier? Daarom kocht hij die auto niet. Daarom koopt hij die auto niet. Roken jullie dat ook? Ruiken jullie dat ook? Braken jullie dat ook? Breken jullie dat ook? Vertrokken ze eindelijk? Vertrekken ze eindelijk? Waarom reed hij naar Waco? Waarom rijdt hij naar Waco? Zij wandelden naar de rivier. Zij wandelen naar de rivier. Zij vielen in het water. Zij vallen in het water. The whole story Here is the whole salesman story that we used for the past two lessons. Listen to the recording and read along. Then review it thoroughly. The hover method will give you anything but the verbs. If the verb is not clear, go back to previous two lessons to find out what it was. Once you understand the whole story, listen to the recording again to see if you understand it all. You may have to retrace your steps a few times until you do. It is a pretty lengthy text. noicon|20px Hij reisde veel naar het buitenland abroad. Op een van zijn reizen travels verraste het weer the weather hem. Het regende en hagelde. Hij bereikte een winkel shop en schafte er een regenjas rain coat aan. De jas paste niet erg, maar hij haalde toch zijn geld his money uit zijn zak pocket en betaalde de rekening bill. Hij wilde niet nat all wet naar de vergadering meeting. Hij vergaderde veel als hij werkte. Hij zocht enige tijd naar zijn hotel, maar arriveerde er enigszins somewhat nat van de regen rain. Hij hoopte op een einde van end to de regen, maar dacht van niet. Hij opende de deur door en bracht zijn natte jas naar zijn kamer room. Hij keek naar buiten. Het leek wel of like het niet meer regende. Hij kreeg wat spijt regret van die regenjas. Hij bleef voorlopig for the moment de jas maar dragen voor de zekerheid certainty. Buiten keek hij op naar de lucht sky waar de zon al naar zijn hoogtepunt zenith rees. Hij stapte naar zijn auto en reed naar zijn hotel. Daar schreef hij een emailtje. Hij verloor zijn geduld patience. Buiten goot het weer en het antwoord answer op zijn email bleef uit failed to arrive. Hij sloot zijn laptop. Die reisgids travel guide loog over deze stad town, city. Deze plaats town, place bood bitter weinig preciously aan een man als hem. Het leek wel of de tijd kroop en hij wenste dat ze de vergadering meeting afgelastten. Hij vloog liever vandaag rather today nog naar huis dan morgen than to morrow. In de vergadering vocht hij voor zijn belangen interests en won. Hij glom van trots pride en later in het hotel zong hij een overwinningslied song of victory. Hij zwom wat in het zwembad swimming pool van het hotel om af te koelen en zond een berichtje short message naar huis. Hij besloot wat te eten in het restaurant en dronk er een biertje bij. De volgende dag next day borg hij zijn spullen gear, stuff in zijn koffer, betaalde de rekening bill en vertrok. Hij vloog zakenklasse business class. Hij keek wat naar het schermpje little screen voor hem en trok zijn schoenen his shoes uit. Hij zat nu al een uurtje a good hour in het vliegtuig en zag dat het eten food er aankwam. Hij las in het blaadje magazine van de vliegmaatschappij air line company dat er keuze choice was tussen kip en pasta. Hij stak het blaadje weer in het vakje compartment, pocket voor hem en toen de stewardess aantrad bij zijn stoel chair, vertelde hij haar dat hij voor pasta koos. Hij nam er een glas witte wijn glass of white wine bij. Hij brak het broodje roll dat bij de maaltijd meal kwam in tweeën in half en smeerde er wat boter butter op. Hij at zijn pasta op en begon aan zijn toetje dessert. Er lag ook nog een stukje chocola a piece of chocolate bij. Het vliegtuig airplane landde een kleine 10 minuten te laat some ten minutes late. Hij pakte zijn spulletjes uit het opbergvak overhead compartment boven zijn hoofd head en liep de cabine uit. Hij hield zijn paspoort passport in zijn hand en ging zonder problemen without problems door de douane customs. Hij wachtte op zijn bagage luggage en nam zijn koffertje small suitcase van de lopende band conveyor belt. Hij wierp zijn instapkaart boarding pass in de prullenbak trash can, maar hij miste en deze viel ernaast besides it. Hij bukte zich, raapte de kaart op en deponeerde deze in de afvalbak. Hij vroeg zich af waar hij geparkeerd stond his car was parked. Het stukje papier piece of paper met het nummer zat gelukkig fortunately nog in zijn zak pocket. Hij droeg zijn bagage naar zijn geparkeerde auto en zette de koffer in de achterbak trunk. Hij vertrok, op weg naar huis. Toen hij bij de grote rivier aankwam, zag hij de pont ferry juist aankomen. Hij reed zijn auto erop on board en de boot voer naar de overkant otehr side. Hij verliet zijn auto en dronk een kopje koffie op de boot. De wind woei te sterk om op het dek deck te zitten. 1 h buitenland the lands abroad h weer weather d winkel shop d regenjas rain coat h geld money d zak pocket, bag nat wet enigszins somewhat d regen rain h einde end d deur door d kamer room d spijt regret voorlopig provisional(ly) d spijt regret h hoogtepunt top, highest point h geduld patience 2 h emailtje email message h antwoord answer d reisgids travel guide bitter bitter d vergadering meeting afgelasten cancel h belang interest d trots pride h lied song d overwinning victory afkoelen cool down h bericht message h spul stuff; belongings d rekening bill d zakenklasse business class h scherm screen d schoen shoe 3 h vliegtuig airplane h blad leaf; leaflet; magazine d vliegmaatschappij air line d keuze choice d pasta paste; pasta h vak compartment h broodje roll; sandwich d boter butter h toetje dessert h stuk piece d chocola chocolate h opbergvak storage compartment d cabine cabin h paspoort passport h probleem problem d douane customs d bagage luggage 4 d koffer suitcase d band tire, belt; bond d instapkaart boarding pass d prullenbak waste basker parkeren to park gelukkig happy, fortunate (-ly) d achterbak back of the car d pont ferry d overkant opposite side d boot boat Admittedly, the above story is not exactly the best prose ever written in Dutch. Stylistically it is pretty bad, but if you can listen to the recording with eyes closed and understand what is being said, you have gained a pretty good command of the Dutch past tense. And then the perfect will follow because it is related. Quizlet The vocabulary for the salesman story can be practiced at Quizlet (58 terms) Progress made If you have studied the above well, you should be able to do past tenses of verbs of all kinds have a good idea of how to form a perfect tense Cumulative count Cycle 1: 579 terms Lesson 5: 87 terms Lesson 6: 124 terms Lesson 7: 51 terms Lesson 7A: 84 terms Total number of terms 925