Skip to main content

  | मौसम…

411 समाचार
Public archive edition · Attributed source reporting with original dates · AI drafts are excluded

411 REFERENCE · Wikibooks

Dutch/Lesson 11A

Reference material by Wikibooks contributors. This retains its source identity and is not 411 news reporting.

les 11 A Voegwoorden ~ Conjunctions Exercise 11A-1 11A Conjuctions Using the [conjunction], combine the two sentences into one. [want] Ik heb een tandenborstel nodig. Ik wil mijn tanden poetsen brush. [omdat] Hij moest rechtsaf. Het hotel was in die straat. [maar] Het gaat vandaag regenen. Morgen gaat het vriezen. [hoewel] Hij nam een kopje thee. Eigenlijk really, actually wilde hij een biertje. [zodat] Hij deed de deur dicht. Hij werd niet gestoord disturbed. [tenzij] Morgen gaan we naar zee. Het regent verschrikkelijk terribly. [als] Waarschijnlijk probably blijven we thuis. Het weer is helemaal niet goed. [toen] Hij liep snel naar binnen. Het begon plotseling suddenly te hagelen. [wanneer] Ik ga het eten op tafel zetten. Hij komt van zijn werk in de chemische fabriek. [of].Het kan vriezen. Het kan dooien to thaw. Ik heb een tandenborstel nodig, want ik wil mijn tanden poetsen Hij moest rechtsaf, omdat het hotel was in die straat was. Het gaat vandaag regenen, maar morgen gaat het vriezen. Hij nam een kopje thee, hoewel hij eigenlijk een biertje wilde. Hij deed de deur dicht, zodat hij niet gestoord werd . Morgen gaan we naar zee, tenzij het verschrikkelijk regent. Waarschijnlijk blijven we thuis,als het weer helemaal niet goed is. Hij liep snel naar binnen toen het plotseling begon te hagelen. Ik ga het eten op tafel zetten, wanneer hij van zijn werk in de chemische fabriek komt. Het kan vriezen of het kan dooien. co-ordinating: order remains the same subordinating: causes the verb to go to the end Remarks Notice begon te hagelen. Expressions with the extended infinitive with te often act as a little abridged phrase in their own right. There are essentially three phrases here, not two. This explains why begon does not move all the way to the end, although it does move behind plotseling, i.e. as far as it can in the middle of the three phrases. Notice morgen stays before gaat het and eigenlijk is no longer at the beginning, but hij is and the inversion is lifted. hoewel rearranges the whole order. maar does not. Translation I need a toothbrush, for I want to brush my teeth. He had to turn right, because the hotel was in that street. It is going to rain today, but tomorrow it is going to freeze. He took a cup of tea, although he really wanted a beer. He closed the door, so that he was not disturbed. Tomorrow we are going to the sea, unless it rains terribly. Probably we'll stay home, if the weather is not good at all. He quickly ran inside, when it suddenly started to hail. I'm going to put the food on the table, when he comes from his work in the chemical factory. It can freeze or it can thaw. (An expression meaning "all we can do is wait and see.") Vocabulary Study the vocabulary related to member of the family: Dutch/Vocabulary/Family Exercise 11A-2 11A-2 Word order In the following text the word order has deliberately been messed up a bit. Can you spot that and correct? Mijn vader gekocht een nieuwe auto heeft. Gisteren hij ging naar een autodealer en hij daar de koop afgesloten heeft. Het is een prachtige auto nieuw, maar het was zeker geen goedkope auto. Vandaag hij gaat laten zijn hele familie zien hoe op zijn nieuwe auto hij is trots. Aan zijn beide broers en echtgenotes hun en aan mijn tante, de zus van mijn moeder en aan mijn grootvader en grootmoeder de auto moet worden vertoond. Mijn neef Karel erin rijden wilde, maar mijn vader zo'n goed idee dat niet vond. Karel heeft nog maar net zijn rijbewijs gehaald. Mijn zus en ik prachtig de auto vinden, omdat deze is groter en sneller dan de oude auto die had mijn vader. Haar mond houdt mijn moeder. Zij is niet zo blij want zij de auto te duur vindt. Zij wou niet opnieuw ruzie daarover maken, daarom ze glimlacht veel. Mijn vader heeft een nieuwe auto gekocht. Gisteren ging hij naar een autodealer en heeft hij daar de koop afgesloten. Het is een prachtige nieuwe auto, maar het was zeker geen goedkope auto. Vandaag gaat hij zijn hele familie laten zien hoe trots hij op zijn nieuwe auto is. Aan zijn beide broers en hun echtgenotes en aan mijn tante, de zus van mijn moeder en aan mijn grootvader en grootmoeder moet de auto worden vertoond. Mijn neef Karel wilde erin rijden, maar mijn vader vond dat niet zo'n goed idee. Karel heeft nog maar net zijn rijbewijs gehaald. Mijn zus en ik vinden de auto prachtig, omdat deze groter en sneller is dan de oude auto die mijn vader had. Mijn moeder houdt haar mond. Zij is niet zo blij want zij vindt de auto te duur. Zij wou niet opnieuw ruzie daarover maken, daarom glimlacht ze veel. Asking for directions We have made a started to examine asking for directions in Lesson 5, but go to Dutch/Vocabulary/Asking_directions to study more phrases related to this topic. Then come back here to do the following quiz. { sla linksaf Play the audio clip and translate. (Notice that the period is already written.) |type="{}" } { turn left|Turn left } . { het is dicht bij het centrum Play the audio clip and translate |type="{}" } { It is near downtown|it is near downtown } . { je moet tram 52 nemen Play the audio clip and translate (write using numerals such as 25, 34, etc.) |type="{}" } { You should take tram 52|you should take tram 52|You have to take tram 52|you have to take tram 52 } . { het is twintig minuten met de auto Play the audio clip and translate (write using numerals) |type="{}" } { It is 20 minutes by car|it is 20 minutes by car } . { Translate into Dutch |type="{}" } Public transport { openbaar vervoer|Openbaar vervoer|Het openbaar vervoer|het openbaar vervoer } . { De or het |type="[]" } |de|het +- fiets +- tram -+ vervoer +- halte -+ station +- bus +- trein { Put the following words in the right order to form a proper sentence. liever openbaar vervoer? u Gaat het met |type="{}" } { Gaat u liever met het openbaar vervoer? } { Put the following words in the right order to form a proper sentence. morgen Ik was. u of thuis vroeg |type="{}" } { Ik vroeg of u morgen thuis was. } { Put the following words in the right order to form a proper sentence. er bus mee? Wie met gaat de |type="{}" } { Wie gaat er met de bus mee? } { Put the following words in the right order to form a proper sentence. laat. was maar op De was de te bus trein tijd |type="{}" } { De trein was op tijd maar de bus was te laat. }